beplanting

vrouwelijk (de)/bə'plɑntɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de planten die door de mens ergens zijn geplant of neergezet
    Portret van een Tuin is gewijd aan zeventiende-eeuwse moestuin op landgoed Dordwijk in de Dordtse kern Dubbeldam. Decennialang verkeerde die in geheel verwaarloosde staat, totdat Daan van der Have zich erover ontfermde. Hij besteedde twintig jaar aan de reconstructie, grondverbetering en de nieuwe beplanting ervan. Om dat levenswerk tot in perfectie uit te voeren, ontwikkelde de nu 65-jarige horecaondernemer (mede-oprichter van Hotel New York in Rotterdam en Villa Augustus in Dordrecht) zich gedurende die periode stukje bij beetje tot een allround-tuinder.NRC 1 december 2016

Etymologie

* van beplanten

Vertalingen

Engelsvegetation, plantation, planting