berisping

vrouwelijk (de)/bəˈrɪspɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een strenge afkeuring van gedrag
    De arts kreeg een berisping van het tuchtcollege.
    Een mengelmoes van berispingen, ontkenningen en verwensingen die zowel fluisterend als luidkeels werden uitgesproken.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van berispen .

Vertalingen

Engelsrebuke, reprimand
DuitsRüge, Tadel, Verweis
Spaansvituperio, reprimenda, represión