berm

mannelijk (de)/bɛrm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de onverharde strook aan de kant van een weg of spoorweg
    Na de slippartij kwam de vrachtauto in de berm terecht.
    Het was al donker toen ik een onverharde weg passeerde waar een aantal eenpersoonstenten in de berm stonden. Iedereen sliep al. Helaas paste mijn tent er niet meer bij en dus zocht ik in de bocht van de weg een vlak plekje op.

Etymologie

* In de betekenis van ‘strook langs weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1288

Vertalingen

Engelsshoulder, verge, verge of a road
DuitsStraßenrand
Spaansberma, lisera
Deensrabat