beroepseer
mannelijk/vrouwelijk (de)/bə'rupser/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het trotse gevoel dat men ervaart als men een vak naar behoren uitvoertHet concept werd toen gedeeld met de managers en directeuren van de 400 opleidingen van het roc. Neutelings: "Dat werkte. Opvallend was dat ze zich bijna aangetast voelden in hun beroepseer. Ze hebben de mouwen opgestroopt en wilden aan de slag.""Het laatste waar ik aan dacht was journalistieke integriteit", stelt hij. "Wil je overleven, of wil je beroepseer, ethiek en moraal behouden? Ga vooral je gang, ik heb ervoor gekozen om te overleven."42 docenten Frans uit het hoger onderwijs luiden de alarmbel. ‘Onze passie en beroepseer dwingen ons in het verweer te gaan.’
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek