beschaafd
/bə'sxaft/
Betekenis
werkwoord
- net en goed opgevoed, netjes, fatsoenlijkDe beschaafde jongen gaf zijn plaats in de bus aan de oudere man.Zoals gewoonlijk viel Dorien hem met een beschaafd gegrinnik bij.Als haar ouders er al iets van zouden vinden, waren ze te beschaafd om dat te laten merken.
- een hoge ontwikkeling hebbendDe Engelsen vinden zich een beschaafd volk, maar als ze alcohol gebruiken kun je dat niet van iedereen uit Engeland zeggen.
Etymologie
* Leenvertaling van Frans "poli", in de 19e eeuw ook van "civilisé".
Vertalingen
Engelsaccomplished, civilized, courteous
Franspoli, civilisé
Duitskultiviert, zivilisiert
Spaansbien educado, civilizado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek