beschaafd

/bə'sxaft/

Betekenis

werkwoord
  1. net en goed opgevoed, netjes, fatsoenlijk
    De beschaafde jongen gaf zijn plaats in de bus aan de oudere man.
    Zoals gewoonlijk viel Dorien hem met een beschaafd gegrinnik bij.
    Als haar ouders er al iets van zouden vinden, waren ze te beschaafd om dat te laten merken.
  2. een hoge ontwikkeling hebbend
    De Engelsen vinden zich een beschaafd volk, maar als ze alcohol gebruiken kun je dat niet van iedereen uit Engeland zeggen.

Etymologie

* Leenvertaling van Frans "poli", in de 19e eeuw ook van "civilisé".

Vertalingen

Engelsaccomplished, civilized, courteous
Franspoli, civilisé
Duitskultiviert, zivilisiert
Spaansbien educado, civilizado