betegeling

vrouwelijk (de)/bəˈtexəlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) bedekking van een oppervlak met plat steenachtig materiaal
  2. activiteit om tegels aan te brengen
    In Nederland waarschuwde staatssecretaris Atsma al eerder tegen bovenmatige betegeling: ‘Vooral in de steden kan het water geen kant op’.
  3. met tegels bedekt oppervlak
    De betegeling van de krachtcentrale, ontworpen door de Amsterdamse kunstenaar Hugo Kaagman, lijkt op die van een oude haard.
  4. figuurlijk, meetkunde (figuurlijk) (meetkunde) vlakvulling bestaand uit bepaalde geometrische figuren
    Al even origineel was De Bruijns werk uit 1981 aan de Penrose-betegeling. Zo’n betegeling is bijvoorbeeld opgebouwd uit platte vliegers en pijlen die gerangschikt zijn in een patroon dat regelmatig oogt, maar dat zichzelf toch nooit herhaalt – zelfs al draai of verschuif je het.

Etymologie

*afgeleid van "betegelen"