betrouwbaarheid

vrouwelijk (de)/bə'trɔubarhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin met iets of iemand kan en mag vertrouwen
    De betrouwbaarheid van informatiesystemen wordt vooral bepaald door de mensen die er mee werken en de software die gebruikt is
  2. eerlijkheid
    De betrouwbaarheid van de wethouder was verdwenen toen bleek dat hij gelogen had over zijn verleden.

Etymologie

*afgeleid van betrouwbaar

Vertalingen

Engelsreliability
Fransfiabilité
DuitsZuverlässigkeit
Spaansfiabilidad, confiabilidad