beuk
mannelijk (de)/bøk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort loofboom , een Europese hardhoutboom die inheems is in de Benelux en tot 46 meter hoog kan wordenWordt ook gebruikt als (deel van de) aanduiding voor andere bomen uit het geslacht .Een beuk heeft een gladde stam een eik heeft een ruwe bast.
- een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw
- (bouwkunde) (religie) middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeukenDe beuk van de kerk bestond uit een middenschip en twee zijbeuken.
- een stevige duw, oplawaai, opdoffer (-> ww. beuken)Ik kreeg verschillende beuken van mijn tegenstander te verduren.
- het rammen van een poortIk gaf een flinke beuk tegen de gesloten deur zodat die openvloog.De beuk erin!
Etymologie
*[1] (erfwoord): Oostelijke nevenvorm met i-umlaut van verdwenen regelmatig boek (nog in boekweit, boekvink), uit Middelnederlands "boeke", bōke, uit Oudnederlands "buoka", ontwikkeld uit Oergermaans *bōkō, bij Indo-Europees *bʰeh₂ǵos, waartoe ook Latijn fāgus ‘beuk’, Oudgrieks phēgós ‘soort eik’ en Albanees bung ‘wintereik’ behoren. Evenals Nederduits Böök, Duits Buche en Fries bûk.
Vertalingen
Engelsbeech, nave
Franshêtre, nef
DuitsBuche, Schiff
Spaanshaya, nave
Italiaansfaggio, navata
Portugeesfaia
Russischбук
Chinees中殿
Japansぶな, 身廊
Koreaans신랑
Arabischصَحْن
Turkskayin
Poolsbuk, nawa
Zweedsbok
Deensbøg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek