schip

onzijdig (het)/sxɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) groot zeevarend vaartuig voor het vervoer van passagiers of goederen, meestal voortbewogen door zeilen of motoren
    Tussen de duinen door kan je het schip nog net zien varen.
  2. bouwkunde, religie (bouwkunde) (religie) middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeuken
    In het schip van de kerk hoort ze de organist spelen, en er worden toortsen aangestoken voor de avonddienst.
    Zou Maren een plek in de hoek prettig vinden? Ze heeft haar hele leven in een hoekje doorgebracht, dus misschien ligt ze liever in het schip.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands sc(h)ip, "scep" (verbogen sceep), uit Oudnederlands "skip", ontwikkeld uit Oergermaans *skipan ‘korjaal; vaatwerk, beker’, hetzij een leenwoord uit Latijn "scyphus" ‘beker, bokaal’, hetzij de nultrap van Indo-Europees *skeib-, labiaal-afleiding van de wortel *skei- ‘snijden, splijten’, waartoe ook Lets šk̨ibît ‘houwen, snijden’ behoort. Evenals Nederduits "Schipp", Duits "Schiff" en Fries "skip".

Uitdrukkingen

  • Als het schip lek is, gaan de ratten van boord.als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek
  • De schepen achter zich verbrandeneen beslissing nemen en niet meer terug kunnen
  • De ratten verlaten het zinkende schip.als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken
  • De wal keert het schip.door beperkingen enigerlei niet verder kunnen
  • Een schip met zure appels zijn/komeniemand begint bijna met huilen ofwel: het naderen van een zware bui
  • Een schip op het strand is een baken in zee.van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren
  • Schoon schip makenschulden betalen ofwel: de boel opruimen ofwel: na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten
  • Tussen wal en schip gerakeniets raakt per ongeluk verloren of zoek

Vertalingen

Engelsship, nave
Fransnavire, nef
DuitsSchiff, Schiff
Spaansnave, navío, nave
Italiaansnave, navata
Portugeesnavio
Russischкорабль
Chinees船, 中殿
Japans身廊
Koreaans배, 신랑
Arabischسَفِينَة, صَحْن
Poolsstatek, okręt, nawa
Zweedsskepp