schip
Wat is de betekenis van schip?
schip betekent: (scheepvaart) groot zeevarend vaartuig voor het vervoer van passagiers of goederen, meestal voortbewogen door zeilen of motoren
Betekenis
- (scheepvaart) groot zeevarend vaartuig voor het vervoer van passagiers of goederen, meestal voortbewogen door zeilen of motoren
- (bouwkunde) (religie) middelste en grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk die zich uitstrekt van de narthex tot het koor en wordt geflankeerd door zijbeuken
Voorbeelden van "schip" in een zin
- Tussen de duinen door kan je het schip nog net zien varen.
- In het schip van de kerk hoort ze de organist spelen, en er worden toortsen aangestoken voor de avonddienst.
- Zou Maren een plek in de hoek prettig vinden? Ze heeft haar hele leven in een hoekje doorgebracht, dus misschien ligt ze liever in het schip.
Betekenis en uitleg van schip
Een schip is een groot vaartuig dat is ontworpen om op zee of andere grote wateren te varen. Het wordt vaak gebruikt voor transport, visserij of recreatie en kan verschillende vormen en maten hebben, afhankelijk van zijn functie.
Het woord 'schip' gebruik je doorgaans in de context van maritieme activiteiten, zoals de scheepvaart of cruises. Schepen kunnen variëren van kleine boten tot enorme tankers en zijn essentieel voor de wereldwijde handel. Daarnaast heeft het woord ook een symbolische betekenis, bijvoorbeeld in uitdrukkingen die verwijzen naar samenwerkingen of avonturen.
Voorbeelden
- Het schip voer majestueus de haven binnen, met zijn zeilen wijd open.
- Tijdens de vakantie maakten we een tocht met een klein zeilschip over het IJsselmeer.
- De ontdekkingsreiziger stapte aan boord van een nieuw schip, klaar voor zijn volgende avontuur.
Woordoorsprong
Het woord 'schip' is afgeleid van het oude Nederlandse 'schip', dat verwant is aan het Oudhoogduitse 'skif', wat ook een vaartuig aanduidt.
Veelgestelde vragen over schip
Wat is de betekenis van schip?
schip betekent: (scheepvaart) groot zeevarend vaartuig voor het vervoer van passagiers of goederen, meestal voortbewogen door zeilen of motoren
Hoeveel betekenissen heeft schip?
schip heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft schip?
schip is een onzijdig (het).
Hoe gebruik je schip in een zin?
Voorbeeld: “Tussen de duinen door kan je het schip nog net zien varen.”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands sc(h)ip, "scep" (verbogen sceep), uit Oudnederlands "skip", ontwikkeld uit Oergermaans *skipan ‘korjaal; vaatwerk, beker’, hetzij een leenwoord uit Latijn "scyphus" ‘beker, bokaal’, hetzij de nultrap van Indo-Europees *skeib-, labiaal-afleiding van de wortel *skei- ‘snijden, splijten’, waartoe ook Lets šk̨ibît ‘houwen, snijden’ behoort. Evenals Nederduits "Schipp", Duits "Schiff" en Fries "skip".
Uitdrukkingen
- Als het schip lek is, gaan de ratten van boord. — als het verkeerd loopt, laten valse vrienden je in de steek
- De schepen achter zich verbranden — een beslissing nemen en niet meer terug kunnen
- De ratten verlaten het zinkende schip. — als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken
- De wal keert het schip. — door beperkingen enigerlei niet verder kunnen
- Een schip met zure appels zijn/komen — iemand begint bijna met huilen ofwel: het naderen van een zware bui
- Een schip op het strand is een baken in zee. — van de fouten die anderen hebben gemaakt kun je zelf veel leren
- Schoon schip maken — schulden betalen ofwel: de boel opruimen ofwel: na ruzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten rusten
- Tussen wal en schip geraken — iets raakt per ongeluk verloren of zoek