boot

mannelijk/vrouwelijk (de)/bot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) klein vaartuig
    Ik vaar in het weekend met mijn boot.
    In haar belevenis waren de langsvarende boten immens groot geweest en de golven die zij veroorzaakten reusachtig.
zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) laars die tot net boven de enkels komt
    De boot is voorzien van een brede schapenwollen boord.

Etymologie

*van "boot"

Uitdrukkingen

  • de boot afhouden
  • de boot ingaan
  • de boot is aan
  • de boot missen
  • in de boot nemen
  • uit de boot vallen

Vertalingen

Engelsboat
Fransbateau
DuitsBoot
Spaansbarco
Italiaansnave
Russischлодка
Poolsstatek, łódź
Zweedsbåt