schuit
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) een eenvoudig open vrachtvaartuig zonder dek, opbouw of aandrijvingHet schuitje lag vlak bij de haven in het water te dobberen.
- (textielindustrie) bij het weven gebruikte houder met het klosje garen
- (schertsend) een grote schoenWat een schuiten heb je toch!
Etymologie
* In de betekenis van ‘vaartuig’ voor het eerst aangetroffen in 1163
Uitdrukkingen
- in hetzelfde schuitje zitten — in dezelfde moeilijkheden zitten
Vertalingen
Fransscute
DuitsBoot, Kahn, Schute
Spaansbarco sin cubierta, bote
Russischлодка, чёлн, челнок
Poolsłódź, łódka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek