beurs

mannelijk/vrouwelijk (de)/børs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie, handel (economie), (handel) het beursgebouw waar effecten (waardepapieren) gekocht en verkocht worden
    De Amsterdamse beurs was gevestigd aan het Damrak
  2. een houder voor munten en biljetten
    Hij had zijn beurs in zijn kontzak.
    Het gaat natuurlijk om Thea's leven, want dat gaat veranderen - een leven als echtgenote, met een volle beurs en nieuwe kleren.
  3. financieel (financieel) toelage voor iemand die studeren wil
    Kinderen van arme ouders krijgen een beurs van de overheid.
  4. financieel, handel (financieel), (handel) tentoonstelling waar producenten in een bepaalde branche, nieuwe producten tonen, of het gebouw waarin zulke tentoonstellingen gehouden kunnen worden
    Veel huisvrouwen gaan naar de huishoudbeurs
  5. een markt waar de transacties openbaar zijn en waar men financiële instrumenten, goederen of diensten kan aan- en verkopen
  6. medisch (medisch) slijmbeurs (een kleine zakvormige holte gevuld met een visceuze vloeistof, welke dient als stootkussen op plaatsen, waar druk of wrijving bestaat)
    Hij had een rood gezwollen knie door een ontsteking van de slijmbeurs voor de knieschijf (bursitis praepatellaris).

Etymologie

*: In de betekenis van ‘zacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1829

Uitdrukkingen

  • Iemand de beurs lichtenvan iemand geld stelen/afhandig maken
  • iemands beurs spekkeniemand rijk maken
  • Met gesloten beurs betalendoor middel van een wederzijdse schuld het bedrag verrekenen

Vertalingen

Engelsstock exchange, purse, scholarship
Fransbourse des valeurs, bourse, bourse d'étude
DuitsBörse, Börse, Geldbörse
Spaansbolsa, bolsa de valores, lonja
Italiaansborsa valori, borsellino, borsa di studio
Portugeesbolsa de valores, porta-moedas, bolsa de estudo
Turksbüzmek
Poolsgiełda, portmonetka, stypendium
Zweedsportmonnä, mässa