beuzelpraat

mannelijk (de)/ˈbøzəlˌprat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) onzin die iemand vertelt
    Deze jongen had weer enorme beuzelpraat uitgekraamd over de wilde avonturen die hij op zijn vakantie had meegemaakt.

Vertalingen

Engelschit-chat, gossip