beven
/ˈbevə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) hard en heftig trillen door angst of door kouHou toch eens op met beven en kalmeer eens even!Hij beefde van de kou nadat hij 2 uur had geschaatst.'Jij bent ziek,' zei hij bevend en ging dadelijk naar het paleis, om de andere Pieten wakker te maken.
Etymologie
*van het Middelnederlands "beven"
Vertalingen
Engelstremble, shake
Franstrembler
Duitszittern, beben, frémir
Spaanstemblar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek