beven

/ˈbevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) hard en heftig trillen door angst of door kou
    Hou toch eens op met beven en kalmeer eens even!
    Hij beefde van de kou nadat hij 2 uur had geschaatst.
    'Jij bent ziek,' zei hij bevend en ging dadelijk naar het paleis, om de andere Pieten wakker te maken.

Etymologie

*van het Middelnederlands "beven"

Vertalingen

Engelstremble, shake
Franstrembler
Duitszittern, beben, frémir
Spaanstemblar