bevliegen
/bəˈvliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) vliegend iets bezoekenDe bijen bevliegen de boekweit tussen negen en twaalf uur 's morgens (wintertijd).
- tweede betekenisomschrijving.Zin met het bevliegen in de tweede betekenis erin.
- enz.
Etymologie
*Afgeleid van vliegen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek