bevlieging

vrouwelijk (de)/bəˈvliɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zomaar opkomende lust, gril, hype
    Hij kreeg plotseling een bevlieging.
    Ze had het op een bevlieging gehouden.

Etymologie

*Naamwoord van handeling van bevliegen .

Vertalingen

Franscoup de tête
Spaansrapto, arranque, capricho