bezegeling
vrouwelijk (de)/bə'zeɣəlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bevestiging van een gemaakte afspraakDe advocaat probeerde collegiaal te lachen terwijl hij zijn hand uitstak ter bezegeling van de overeenkomst, maar bedacht zich snel en onder drukte de impuls.
Etymologie
* afleiding (nomact) bezegelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek