bezetten
/bəˈzɛtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) in gebruik hebben zodat iemand anders er geen gebruik van kan makenDe stoel is bezet door die meneer.Hier had ze de ruimte, aangezien Jeroen de stoel bezette die schuin tegenover de driezitsbank stond.
- (ov), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigenIn 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet.
Etymologie
*afgeleid van zetten
Vertalingen
Engelsoccupy
Spaansocupar
Poolszajmować
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek