bezetten

/bəˈzɛtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in gebruik hebben zodat iemand anders er geen gebruik van kan maken
    De stoel is bezet door die meneer.
    Hier had ze de ruimte, aangezien Jeroen de stoel bezette die schuin tegenover de driezitsbank stond.
  2. ov, militair (ov), (militair) de macht in een gebied overnemen door er een dominerende strijdmacht te vestigen
    In 1968 werd Tsjechoslowakije door de Russen en hun bondgenoten bezet.

Etymologie

*afgeleid van zetten

Vertalingen

Engelsoccupy
Spaansocupar
Poolszajmować