bezoedelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) te schande maken
    De goede naam werd door dit geval bezoedeld.
    De zaak 'heeft bepaalde delen van zijn persoonlijkheid, en zijn relaties met vrouwen en geld aan het licht gebracht', schreef de Franse krant Le Monde dinsdag in een commentaar. 'Net als Bill Clinton, wiens presidentschap werd bezoedeld door de affaire rondom Monica Lewinsky, is Strauss-Kahn vooral een slachtoffer van zijn eigen lichtvaardigheid.'
  2. ov (ov) vuil maken
    Het riviertje was met olie bezoedeld.

Etymologie

*afkomstig uit het Duits besudeln ()

Vertalingen

Engelsstain, dishonour, soil
Franssouiller, déshonorer, salir
Duitsbesudeln, entehren, besudeln
Spaansdeshonrar, manchar