biddag
mannelijk (de)/'bɪdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dag dat men biddend een verzoek richt tot god; tweede woensdag van maart in de protestantse kerkenIn de NH-kerk aan de Hoofdweg wordt morgenochtend voor de leerlingen van de hoogste groepen van het basisonderwijs een dienst gehouden ter gelegenheid van Biddag voor Gewas en Arbeid. Tubantia 11-03-08 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/dienst-dankdag-voor-basisonderwijs~ac3a5c62/ Dienst Dankdag voor basisonderwijs]De protestantse traditie van Biddag (aan het begin van het seizoen) en Dankdag (aan het eind van het seizoen) voor Gewas en Arbeid wordt in Westerhaar nog volop in ere gehouden. Tubantia 13-03-08 [https://www.tubantia.nl/almelo-e-o/schooljeugd-houdt-biddag-voor-gewas-en-arbeid~adcaf07e/ Schooljeugd houdt Biddag voor Gewas en Arbeid]Omdat door de stroomuitval veel winkels de deur eerder dichtdeden, waren veel Urkers naar Emmeloord vertrokken om boodschappen te doen. Woensdag is het namelijk biddag op Urk en dan zijn de winkels dicht. Tubantia 07-02-12 [https://www.tubantia.nl/binnenland/stroomstoringen-in-urk-en-maastricht-weer-voorbij~a0ab4c57/ Stroomstoringen in Urk en Maastricht weer voorbij]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek