bidden
/ˈbɪdə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) in gebed zijn, een godheid iets vragenVoor het slapen bid ik altijd mijn avondgebed.Mijn zondagochtendlijke fietstochten leidden me de afgelopen jaren echter niet langer naar kerkgebouwen, maar ik voelde me steeds meer aangetrokken tot de natuur. Toen ik aan het lopen was, werden Yosemite en Kings Canyon mijn kathedralen. In de natuur vind ik rust en vrede om na te denken en te bidden.
- (inerg) iemand dringend/met klem iets vragen, smekenIk bid je om daarmee te stoppen.Ik heb gesmeekt en gebeden bij de gemeente om eindelijk eens die gevaarlijke spoorwegovergang te sluiten.we kunnen alleen maar bidden dat Arnoud Maakvrede behalve een brave burger vooral een Amsterdammer is.
- (inerg) (dierkunde) (van vogels) klapwiekend stilhangen in de luchtIk zag hoog in de lucht een valk bidden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘gebed richten tot God, smeken’ voor het eerst aangetroffen in 901
Vertalingen
Engelspray, be, beg
Fransprier, prier
Duitsbeten, bitten
Spaansorar, rezar, rogar
Japans祈る, いのる, inoru
Poolsmodlić się
Zweedsbe
Deensansøge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek