bidstoel
mannelijk (de)/ˈbɪtstul/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stoel waarop men kan zitten en als men de zitting opklapt op kan knielen om te bidden.Vlak bij de biechtstoel stonden enkele bidstoelen zodat men na de biecht direkt zijn penitentie kon doen.Een hangtapeet, geverwd in 't geel,Van zij, doorweven met fluweel,En zil'vren bloemen aan de randen,Bedekte met zijn pracht de wanden:Een bidstoel, cierlijk uitgewerkt,Werd naast den spiegel opgemerkt.
Vertalingen
Engelsprie-dieu
Fransprie-dieu
DuitsBetpult
Spaansreclinatorio
Italiaansinginocchiatoio
Poolsklęcznik
Zweedsbönepall
Deensknæleskammel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek