biefstuk

mannelijk (de)/ˈbifstʏk/

Wat is de betekenis van biefstuk?

biefstuk betekent: (voeding) een lap rundvlees, kalfsvlees of paardenvlees van de bovenbil

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een lap rundvlees, kalfsvlees of paardenvlees van de bovenbil

Voorbeelden van "biefstuk" in een zin

  • Biefstuk moet je niet te lang bakken anders word hij taai.
  • Biefstuk van een paard is extra mals en bevat meer ijzer.
  • Ik bleef maar naar het all-you-can-eatbuffet teruggaan voor meer eten. Er kwam geen einde aan: zalmsalade, pasta, groente, sushi, biefstuk, soep, chocoladetaart, witte chocoladetaart, crème brûlee, vers fruit met room, bier, koffie en whisky.

Etymologie

* Gevormd vanuit het Engelse "beef" en "steak", waarbij het tweede deel is vernederlandst naar analogie van soortgelijke woorden.. In de betekenis van ‘lap vlees van de bovenbil’ voor het eerst aangetroffen in 1832.

Vertalingen

Engelssteak
Fransbifteck
DuitsSteak
Spaanssolomillo, bistec, biftec
Italiaansbistecca