biet

mannelijk/vrouwelijk (de)/bit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) een plant die om de wortelknol geteeld wordt
    De biet groeide niet goed.
  2. groente (groente) de wortelknol van de bovenstaande plant
    Hij liet de zak met bieten per ongeluk vallen.

Etymologie

*Ontleend aan het Volkslatijnse *bẹta, klassiek beta ("biet")

Vertalingen

Engelsbeet
Fransbetterave
DuitsRote Bete
Spaansacelga, betabel, betarraga
Portugeesacelga, beterraba-açucareira, beterraba-forrageira
Russischсвёкла, свекла красная, свекла столовая
Chinees甜菜 tian cai
Arabischبنجر, شمندر, سلق
Turkspancar
Poolsburak zwyczajny, ćwikła
Zweedsbeta, foderbeta, fodersockerbeta
Deensbederoe, bede