big
mannelijk/vrouwelijk (de)/bɪx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (veeteelt) (evenhoevigen) een jong van het varkenZij vindt biggetjes erg schattig.
Etymologie
* Middelnederlands bigge, uit West-Germaans. Evenals Nederduits Bigg ‘big’, Duits dial. Bick ‘barg’ en Fries bigge ‘big’.
Vertalingen
Engelspiglet
Franscochonnnet, goret, porcelet
DuitsFerkel, Frischling
Spaanscochinillo
Italiaansporcellino, maialino
Portugeesporquinho
Russischпоросёнок
Poolsprosiak, prosię
Deenspattegris
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek