bijrijdersstoel

mannelijk (de)/'bɛɪrɛɪdərstul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de autostoel rechtsvoor, naast de bestuurder van een auto
    De man zet de deuren open en laadt de koffers in. Wayne en Ruby gaan achterin zitten en Faye neemt plaats op de bijrijdersstoel. Hun chauffeur rijdt de standplaats af.
    De agenten gaven de vrouw een stopteken op de nabijgelegen Coba Pulskenslaan. In de bijrijdersstoel zat nog een jonge vrouw, met naast haar een lachgasfles en gebruikte ballonnen. De bijrijdster gaf toe dat ze beiden lachgas hadden gebruikt. De bestuurster zei dat ze dat niet tijdens het rijden had gedaan.

Vertalingen

Engelsco-driver's seat