bijten

/ˈbɛitə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen tijdens vechten of om te eten
    De hond beet de arrestant in de benen.
    Ik bijt in een appel
    ‘Wij willen naar Alaska,’ zei hij op heldere toon. ‘Op zalm vissen,’ vulde Dennis aan. ‘Wilde zalm. ’Chantal beet op haar lip om niet in lachen uit te barsten.
werkwoord
  1. een bijt maken (in het ijs)

Etymologie

* In de betekenis van ‘de tanden in iets zetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Blaffende honden bijten niet
  • :iemand die een grote mond opzet, zal meestal niets doen
  • :iemand die een grote mond opzet, is meestal niet gevaarlijk

Vertalingen

Engelsbite
Fransmordre
Duitsbeißen
Spaansmorder
Italiaansmordere
Portugeesmorder
Japans噛む
Turksısırmak
Poolsgryzć
Zweedsbita