bikkel
mannelijk (de)/'bɪkəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een klein klompje hard materiaal, meestal in de vorm van een botje dat gebruikt wordt om op te gooien in het bikkelspel
- overdrachtelijk iets erg hardsDat is zo hard als een bikkel.
- een persoon met heel veel doorzettingsvermogen, iemand die heel stoer is
Etymologie
* In de betekenis van ‘pikhouweel’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Vertalingen
Fransosselet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek