bikkel

mannelijk (de)/'bɪkəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een klein klompje hard materiaal, meestal in de vorm van een botje dat gebruikt wordt om op te gooien in het bikkelspel
  2. overdrachtelijk iets erg hards
    Dat is zo hard als een bikkel.
  3. een persoon met heel veel doorzettingsvermogen, iemand die heel stoer is

Etymologie

* In de betekenis van ‘pikhouweel’ voor het eerst aangetroffen in 1567

Vertalingen

Fransosselet