binden

/ˈbɪndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. vastmaken (evt. figuurlijk), bevestigen
    Hij bond de boot met een touw vast aan de paal.
    Door het schriftelijke contract waren de beide bedrijven gebonden aan de gemaakte afspraken.
    Zij transformeerde van echtgenote tot de moeder die alle trucs uit het boek tevoorschijn haalde om haar enige zoon nog meer dan voorheen aan zich te binden.
  2. iets om iets anders leggen
    Hij bond een sjaal om zijn nek om een verkoudheid te voorkomen.
  3. dikker maken van een saus meestal door bloem
    Hij heeft de soep gebonden door er bloem aan toe te voegen en daarna te koken.
  4. niet meer helemaal vrij zijn
    Het vrije ondernemerschap is in Nederland gebonden aan wet- en regelgeving.

Etymologie

*Komt uit de PIE-wortel *bhendh en het Gotische bindan.

Uitdrukkingen

  • de kat op het spek binden

Vertalingen

Engelstie, bind
Fransattacher, lier
Duitsbinden
Spaansatar
Turksbağlamak
Poolswizać