binnenstad

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een, meestal oud, stadscentrum
    De meeste mensen vinden de Utrechtse binnenstad heel gezellig.
    Veel Almeloërs willen er zaterdagmiddag tussen 14.00 en 15.00 uur getuige van zijn. Hun stad is immers historisch verbonden met het eeuwenoude Huize Almelo, het kasteel dat grenst aan de binnenstad, en de familie Van Rechteren Limpurg. En als de graaf overlijdt en naar zijn laatste rustplaats in zijn eigen bos wordt gedragen, is dat een indrukwekkende gebeurtenis die niet zo vaak voorkomt.

Vertalingen

Engelsinner city
Franscoeur de la ville
DuitsStadtmitte, Innenstadt
Spaanscentro de la ciudad