binnentuin
mannelijk (de)/ˈbɪnə(n)ˌtœyn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) door een of meer gebouwen en muren omsloten gebied bestemd om planten te laten groeienAchter de drie met betonnen lijsten gemarkeerde ingangen ligt niet een hal rondom een betonnen kern met liften en trappen, maar een ruime binnentuin vanwaar twee brede gebogen trappen dwars door het gebouw voeren naar een gemeenschappelijke ruimte die grenst aan een groot terras.‘Deze verborgen binnentuinen aan de grachten zijn als een eilandenrijk”, zegt de Leidse bioloog Menno Schilthuizen terwijl hij om zich heen wijst in een fraaie tuin tussen Keizersgracht en Herengracht, de tuin van fotografiemuseum Foam. „Ze liggen geïsoleerd door de hoge huizenrijen eromheen. We spreken van het ‘eilandeffect’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek