bisam
onzijdig (het)/ˈbisɑm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vocht met een sterke geur dat sommige dieren uit een klier onder hun staartwortel uitscheidenIn de 16de eeuw waste men zich niet meer, maar men overtroefde de lichaamsgeuren met nóg sterkere parfums zoals muskus, amber en bisam.
- (kleding) zachtharig vel van de bisamratEen jasje van mollenvellen met een kraag van bisam, dat hij voor haar kocht, was het uiterste tot waar zij ging.
Etymologie
*[2] verkorting van bisambont
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek