bit

onzijdig (het)/bɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. paardrijden (paardrijden) een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
    De ruiter trok aan het bit om zijn rijdier van richting te doen veranderen.
  2. tandheelkunde (tandheelkunde) een gebitsbeschermer, ook gebruikt bij bijv. bepaalde sporten
    De hockeyspelers hebben een bitje in.
  3. gereedschap (gereedschap) verwisselbare stift [1] die in bijv. een boormachine wordt geplaatst
    Installeer het bit in de boormachine.
zelfstandig naamwoord
  1. informatica (informatica) in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
    De afkorting voor bit is een kleine b.

Etymologie

* van bijten

Vertalingen

Engelsbit, bit
Fransbit
DuitsKandare, Bit