blaas
mannelijk/vrouwelijk (de)/blas/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof (hiermee wordt in het dagelijks spraakgebruik meestal de urineblaas bedoeld)Het kind had een volle blaas en moest heel nodig plassen.Maar dit was zo’n bos waar alles na drie stappen op elkaar lijkt. Waar je vlug verdwaalt, als een logerend kind in een pikdonkere, vreemde slaapkamer. Eerst het klateren, de goddelijke opluchting van de lege blaas. Vervolgens de milde paniek. Waar kwam ik vandaan? De groene soep begint te kolken.Arjen van Veelen NRC 30 mei 2016Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten. Er zat niks anders op dan in mijn drinkfles te plassen. Zo stil mogelijk ging ik rechtop in mijn slaapzak zitten en probeerde mijn overvolle blaas geruisloos te legen. In een urinoir kan het ook soms moeilijk zijn om met iemand naast je te plassen. Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was.
- met gas of vocht gevulde holte, een belBij waterpokken heb je veel jeukende blaasjes op de huid.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bobbel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Vertalingen
Engelsbladder, bubble
Fransvessie
DuitsBlase, Blase
Spaansvejiga
Italiaansvescica
Russischпузырь
Poolspęcherz
Deensblære
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek