blauw
Wat is de betekenis van blauw?
blauw betekent: (kleur) primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Betekenis
- (kleur) primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Voorbeelden van "blauw" in een zin
- Dat blauw ziet er best mooi uit.
- Blauw is de kleur van de hemel en de Middellandse Zee.
- Samen staan ze te wachten, hun blik gericht op de horizon, waarachter de stad en hun oude leven liggen, onder een hemel die gouden tinten en een nog dieper blauw verspreidt.
Betekenis en uitleg van blauw
Blauw is een kleur die vaak wordt geassocieerd met de lucht en de zee. Het heeft een kalmerende uitstraling en kan variëren van lichtblauw tot diep marineblauw.
Het woord 'blauw' wordt vaak gebruikt om emoties of sferen te beschrijven. In de kunst en mode is blauw een populaire keuze, omdat het veelzijdig is en zowel rust als creativiteit kan uitstralen. Daarnaast kan het ook figuratief worden gebruikt, zoals in de term 'de blues', die verwijst naar een melancholische stemming.
Voorbeelden
- De lucht was helder blauw, perfect voor een dagje uit.
- Ze droeg een prachtige blauwe jurk naar het gala, die haar ogen nog meer deed stralen.
- Na het horen van het trieste nieuws voelde hij zich ineens zo blauw.
Woordoorsprong
Het woord 'blauw' stamt af van het Middelnederlands 'blauwe', wat verwant is aan het Oudgermaans, waar het een vergelijkbare betekenis had.
Veelgestelde vragen over blauw
Wat is de betekenis van blauw?
blauw betekent: (kleur) primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
Welk woordgeslacht heeft blauw?
blauw is een onzijdig (het).
Hoe gebruik je blauw in een zin?
Voorbeeld: “Dat blauw ziet er best mooi uit.”
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "blau" van Oudnederlands "blao", in de betekenis van ‘kleurnaam’ aangetroffen vanaf 1121
Uitdrukkingen
- Iemand danig toetakelen (zodat die persoon veel blauwe plekken krijgt)
- Dronken zijn
- Nul op het rekest krijgen, m.n. bij een (huwelijks)aanzoek of amoureuze toenadering;
- Een kogel;
- blauwschimmelkaas
- Zich sterk ergeren
- Het erg koud hebben
- Het erg koud hebben (zodat de huid een blauwe kleur heeft gekregen van de kou)