blauwheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het blauw zijn; de mate waarin iets of iemand blauw isDe wilde blauwheid van de bosbes: Van de week werd ik even gecorrigeerd. Het was maar een klein standje, maar wel van de hoogste autoriteit. En het ergste is: hij had het me al eens uitgelegd. De berisping kwam terloops onderaan een email: „Oja, noem jij blauwe bessen bosbessen?” NRC Joël Broekaert 14 februari 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/02/14/de-wilde-blauwheid-van-de-bosbes-12617360-a509058 De wilde blauwheid van de bosbes]
Etymologie
* afleiding van blauw
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek