blazen
/ˈblazə(n)/
Wat is de betekenis van blazen?
blazen betekent: (inerg) een luchtstroom veroorzaken
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een luchtstroom veroorzaken
- (ov) met een luchtstroom iets vervaardigen
- (ov) een blaasinstrument bespelen
- door een luchtstroom verplaatst worden
- (dierkunde) (v.e. kat) een sissend geluid maken om angst of boosheid uit te drukken
werkwoord
- (jongerentaal) roken van een sigaret of joint
Voorbeelden van "blazen" in een zin
- Blaas even, dan koelt het wel af.
- In het zakje blazen.
- Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan.
- Dit glas wordt geblazen, niet gewalst.
- Bellen blazen.
Etymologie
*[B]: terug ontleend van "blaze" "wiet roken"
Uitdrukkingen
- Hoog van de toren blazen — Eisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
- Beter hard geblazen dan de mond gebrand. — Het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
- De aftocht blazen — Verliezen en weggaan
- De kraaienmars blazen — Doodgaan
- Flink in de bus blazen — Voor een bepaald doel veel geld uitgeven of beschikbaar stellen
- Het is [xxx] geblazen — Dat ([xxx]) moet er nu gebeuren
- Geen veer van de mond kunnen blazen — Heel zwak en/of heel arm zijn
- Van toeten noch blazen weten — Ergens geen verstand van hebben
Vertalingen
Engelsblow
Franssouffler
Duitsblasen, pusten
Spaanssoplar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek