bleekheid

vrouwelijk (de)/'blekhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) het witter, minder donkergekleurd zijn dan normaal, vaak als teken van ziekte
    Een feochromocytoom is een zeldzame tumor van het bijniermerg die voor een grote afgifte van catecholaminen (adrenaline) kan zorgen. Hierdoor ontstaan aanvallen van hypertensie, hoofdpijn, bleekheid, hartkloppingen, zweten en angst/agressie. {{Aut|Bakker, Marc
    Bij oogspiegetonderzoek, funduscopie, Laat de arts licht via de pupil op het netvlies vallen. Tegelijkertijd bekijkt hij met een vergrootglas de achterwand van de binnenkant van het oog. Daarbij zijn bloedvatafwijkingen te zien, ophoping van abnormale stoffen, stuwing door verhoogde veneuze druk, de gevolgen van hypertensie, bloedingen door mishandeling of een subarachnoidale bloeding, zwelling van de blinde vlek door verhoogde druk in de schedel of bleekheid door afsterven van de oogzenuw. Ook is het mogelijk deze beelden fotografisch vast te leggen. {{Aut|Bocken, Paul
    In de felle voorjaarszon, een op en top Brits gezicht. Over zijn bleekheid heen een rode blos, kort, licht haar, colbert en stropdas, rond de vijftig. Zijn gezicht opmerkelijk intelligent. En bovendien innemend. Met zijn benen over elkaar zit hij in de mooie tuin van het hotel. de Standaard 04/september/2015

Etymologie

* afleiding van bleek

Vertalingen

Engelspallor, paleness