blijdschap
vrouwelijk (de)/'blɛɪtsxɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een aangename stemmingDe blijdschap was groot bij het weerzien.De mensen stonden op hun stoelen en schreeuwden het uit van blijdschap.
Etymologie
*Afgeleid van blij(de)
Vertalingen
Engelsjoy, gladness
Fransjoie
DuitsFreude
Spaansalegría
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek