blikken

/ˈblɪkə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van blik vervaardigd
    Er zat een blikken plaatje opgeschroefd.
    Ze begroef de snuisterijen in een blikken doos bij de put en ging ze af en toe bekijken.
  2. alsof van blik vervaardigd of afkomstig daarvan
    De toeter produceerde een schel blikken geluid.
werkwoord
  1. inerg (inerg) in een bepaalde richting kijken
    Hij blikte even naar haar, maar moest snel zijn aandacht weer op het verkeer richten.
  2. inerg (inerg) schitteren
    een fraai blikkend scherp mes

Etymologie

*[werkwoord 3] verbastering van (ver-)bleken

Vertalingen

Engelslook, look at, regard
Spaansde lata, mirar