blik

onzijdig (het)/blɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde (materiaalkunde) metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen of gewalst
    In de zestiende eeuw werd blik gebruikt voor sommige onderdelen van kerkorgels.
  2. pregnant (pregnant) vertind dun plaatstaal
    Na de uitvinding van het galvaniseren werd blik op grote schaal gebruikt voor het verpakken van voedsel.
  3. voorwerp dat traditioneel uit dun metaal wordt gemaakt
  4. cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal voor het bewaren van voedsel, drank of andere waar die kan bederven als er lucht bijkomt
    Er zitten perziken in dat blik.
    Met een koud biertje in mijn hand en mijn voeten in helder blauw water was ik als een kind zo blij. Terwijl ik een tweede blikje opentrok zag ik opeens in de verte een zwarte rookpluim.
  5. ronde of vierkante dun metalen doos met deksel
    We bewaarden de koekjes in het koekblik.
  6. huishouden (huishouden) vlakke of licht gebogen plaat met handvat om stof en vuilnis op te vegen
    De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd.
  7. kookkunst (kookkunst) bak van dun metaal zoals die in een oven wordt gebruikt
    Het blik moet worden ingevet zodat de cake er niet aan blijft kleven.
  8. verzamelterm voor artikelen die uit dun metaal zijn gemaakt
    Het was een winkeltje vol oud servies, glaswerk en blik.
  9. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) personenauto's
    Dankzij het betaald parkeren is er nu minder blik op straat.
zelfstandig naamwoord
  1. enkele oogopslag, snelle waarneming met de ogen
    Lauren mijdt mijn blik en blijft naar haar glas turen, dat door de ober precies tot aan de rand wordt volgeschonken.
    Gespannen zette ik mijn tent op: om mezelf af te leiden en dieren af te schrikken begon ik hard te fluiten en ik wierp af en toe een blik op de brede vallei onder me.
    Het was zo'n onschuldige opmerking dat van iedereen in de kamer alleen Oscar en Ingeborg onraad vermoedden en elkaar snel een waarschuwende blik toewierpen.
  2. tijd die voor een enkele oogopslag nodig is
  3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
    Mensen die een boze blik richten, doen dit meestal onbewust.
  4. gerichte waarneming met de ogen
    Hij wierp een blik in de box.
  5. vermogen om te zien
    Hij heeft een scherpe blik.
  6. plantkunde, verouderd (plantkunde) (verouderd) bepaald soort plant, , uit de rozenfamilie
    Blik groeit op rotsachtige bodem.

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "blic" lichtstraal; ganzerik", in de betekenis van ‘oogopslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1608

Uitdrukkingen

  • holle blik
  • vernietigende blik
  • ergens een blik op werpen
  • geen blik waardig keuren
  • iemands blik vangen
  • verstand op nul, blik op oneindig
  • een ruime blik hebben
  • een vooruitziende blik hebben

Vertalingen

Engelstin-plated steel, can, tin
Fransfer blanc, boite de conserve
DuitsBlech, Weißblech, Dose
Spaanshojalata, lata
Italiaanslatta, lattina, barattolo
Portugeesfolha de flandres, lata
Russischжесть, жестянка
Chinees罐頭
Japans罐詰
Koreaans깡통
Arabischصفيحة
Turksteneke
Poolspuszka, konserwa
Zweedsbleck, konserv, konservburk