Bus

mannelijk (de)/bʏs/

Wat is de betekenis van Bus?

Bus betekent: (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers (autobus)
  2. blikken bewaardoos waarvan de hoogte groter is dan de breedte, vaak met de vorm van een cilinder
  3. collectebus
  4. postbus, brievenbus
  5. informatica (informatica) een standaardmethode voor het verbinden van de onderdelen van een computer

Voorbeelden van "Bus" in een zin

  • Ik was overdonderd door alle toeristen in het bezoekerscentrum. Ze arriveerden in bussen, maakten foto’s, kochten ijsjes en snelden in hun witte shirts door naar een volgende attractie.
  • De brief rook vaag naar een ongewoon parfum en had ezelsoren, alsof Marjorie Quick hem een paar dagen in haar handtas had bewaard, voordat ze uiteindelijk had besloten hem op de bus te doen.
  • Het is mijn Senegalese buurman met een envelop die per ongeluk in zijn bus was beland.

Etymologie

*[verkeer]: Latijn: omnibus: voor iedereen

Uitdrukkingen

  • Dat klopt als een bushttps://onzetaal.nl/schatkamer/lezen/uitdrukkingen/dat-klopt-als-een-bushet is helemaal correct
  • Dat sluit als een bushet is helemaal correct
  • Flink in de bus blazenveel geld uitgeven
  • uit de bus komen alsblijken of schijnen te zijn
  • onder/voor de bus gooieniemand verraderlijk opofferen

Vertalingen

DuitsAutobus, Bus, Omnibus
Spaansautobús, bus
Russischавтобус