blusgroep
mannelijk/vrouwelijk (de)/'blʏsxrup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- groep van meestal zes brandweerlieden, behorend bij een blusvoertuig en bestaande uit bevelvoerder, chauffeur-pompbediende, waterploeg en aanvalsploegHet tekort heeft geen directe gevolgen voor het dorp. „Er is in Haaksbergen altijd een blusgroep beschikbaar”, zegt Johan Hofhuis, plaatsvervangend commandant van de Haaksbergse Brandweer.Ze gaan normaalgesproken geen brand uit de weg, maar de melding van woensdagavond had achterwege mogen blijven. Benno en Linda Vermeer uit Baarn moesten uitrukken om hun eigen rietenkapwoning te blussen. Om de 'familievreugde' compleet te maken zat ook hun oudste zoon Kaylian (20) in de blusgroep voor zijn eerste grote brand.
Vertalingen
Engelspump crew, fire attack unit
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek