Bocht
mannelijk/vrouwelijk (de)/bɔxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) van richting veranderende, gebogen weg of pad, krommingHij ging veel te snel door de bocht.Zijn er dan toch grenzen aan het sadisme? Wie het haalt tot de laatste bocht naar links, weet het antwoord.In mijn fantasie zat er achter elke boom een beer, klaar om mij te verslinden. Dagen achter elkaar was er niemand te bekennen, waardoor ik me nog kwetsbaarder voelde, en ik begon bij elke bocht hard te zingen om eventuele beren te waarschuwen dat ik eraan kwam.
- brede baai aan de kustlijnDe Australische Bocht.
zelfstandig naamwoord
- (drinken), (informeel), (m.n. alcoholische) drank of andere substantie van slechte kwaliteitDat brouwsel is echt bocht.
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "becht" / "bacht" "drek"
Uitdrukkingen
- je in allerlei bochten wringen — op een erg ingewikkelde, moeilijke manier je doel bereiken
- te kort door de bocht gaan — veel te snel en makkelijk tot een conclusie komen (die dan ook fout is)
Vertalingen
Engelscurb, curve, bend
Franscourbe, baie
DuitsFusel
Spaanscurva, golfo
Italiaanscurva, baia
Portugeesbaía
Russischизгиб, кривая, поворот
Chinees海湾
Poolszakret, zatoka
Zweedskurva, vik
Deensbugt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek