boeien

/bujə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemands vrijheid beperken door hem vast te binden aan hand of voet; in de boeien slaan
    De corrupte politicus werd gearresteerd en geboeid weggevoerd.
    En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.
  2. ov (ov) iemands aandacht vasthouden
    De leraar wist de kinderen maar niet te boeien.
    Op de rechterpagina stond het financiële nieuws. De aex, Euro Stoxx 50, olieprijs in US dollars per vat en de Dow-Jonesindex. Zaken die haar in het geheel niet konden boeien.
tussenwerpsel
  1. informeel (informeel) niet interessant
    Ja boeien, daar heb ik geen zin in.

Etymologie

*Afgeleid van boei

Vertalingen

Engelsshackle, captivate, fascinate
Fransenchaîner, captiver, fasciner
Duitsfesseln, faszinieren, fesseln
Spaansesposar, aherrojar, fascinar
Italiaansaffascinare