boeldag
mannelijk (de)/'buldɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- veiling van de inboedel van een overleden of failliete landbouwer
- markt voor tweedehands spullenDe boeldag was jarenlang dé bron van inkomsten voor het Rijssens Mannenkoor. Volgens Gertjan Klein Legtenberg van het koor is dat momenteel nog steeds het geval, maar heeft de opbrengst een andere bestemming gekregen. “Wij hadden als koor de boeldag écht nodig, want anders kwamen wij financieel niet rond.Het Thijplein in Rossum vormt op Hemelvaartsdag het decor voor de veertigste Boeldag. Als om 08.00 uur de hekken aan de kant worden gezet, sprinten de koopjesjagers en verzamelaars als vanouds het marktterrein op.
Vertalingen
Engelspublic sale, auction day, flea market
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek