boeren

/ˈburə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. het boerenvak uitoefenen
    Mijn familie boert al verscheidene generaties.
    Er wordt steeds meer biologisch geboerd.
  2. een vak uitoefenen en daar inkomsten mee verdienen
    Na enkele magere jaren boert de branche weer goed.
  3. een boer laten
    Hij boert luidruchtig en laat een scheet.

Etymologie

*Afgeleid van boer

Uitdrukkingen

  • goed boerengoede bedrijfsresultaten behalen

Vertalingen

Engelsburp
Duitsrülpsen