boerenkool
mannelijk/vrouwelijk (de)/burə'kol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bladgewas (kool)
- (groente) sterk gekrulde bladeren vanDe boerenkool groeit maar in een bepaalde tijd.Wij houden erg van boerenkool.
- (metonymisch), (figuurlijk), (voeding) een stamppot van boerenkool met aardappelenBoerenkool met worst.
Etymologie
* In de betekenis van ‘koolsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Vertalingen
Engelscurly kale, kale, borecole
Franschou frisé, potée de chou frisé
DuitsGrünkohl, Grünkohleintopf
Spaanscol rizada
Portugeescouve, couve-de-folhas
Russischкале
Chinees羽衣甘藍
Japansケール
Koreaans케일
Arabischكرنب أجعد
Turkskara lahana
Poolsjarmuż
Zweedsgrönkål
Deensgrønkål
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek