boerterij

vrouwelijk (de)/ˌburtəˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) verhaal dat niet helemaal ernstig bedoeld kan zijn
    Tot hiertoe heeft mijn pen dit vreemde web gewevenvan ernst en boerterij, maar beide in alles evenwaarachtig en oprecht.
    {{ouds|1805
  2. verouderd (verouderd) verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
    In 1580 dan schrijft Hendrik Laurenszoon Spiegel zijn "Numa ofte Amptsweijgeringhe", een stuk dat bijna even vreemd aandoet en moeilijk te plaatsen is als Van Ghisteles "Antigone". (…) De eerste twee bedrijven eindigen elk met een ‘boerterij’, een komische scène dus, die contrasteert met de bezinnelijke toon, maar vanuit de komische hoek het Numabeeld uit de ernstige scènes bevestigt.
    {{ouds|1815

Etymologie

*afgeleid van "boerten"