bof

mannelijk (de)/bɔf/

Wat is de betekenis van bof?

bof betekent: geluk, mazzel

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geluk, mazzel
  2. medisch (medisch) infectieziekte waarbij men een dik hoofd krijgt

Voorbeelden van "bof" in een zin

  • "Wat een bof jou hier nog te treffen.
  • Zij hebben allebei de bof gehad.

Betekenis en uitleg van bof

Het woord 'bof' verwijst doorgaans naar een aandoening die wordt gekenmerkt door gezwollen speekselklieren, vooral rond de kaak. Het wordt vaak geassocieerd met het bofvirus, dat vooral bij kinderen voorkomt en soms ook bij volwassenen kan optreden.

Je gebruikt 'bof' vaak in medische contexten, vooral wanneer je het hebt over kinderziekten. Het woord kan ook figuurlijk worden gebruikt om een plotselinge, onverwachte gebeurtenis aan te duiden, meestal met een negatieve connotatie. Het is belangrijk om het in de juiste context te gebruiken, zodat het duidelijk is dat je verwijst naar de ziekte of een andere situatie.

Voorbeelden

  • Na de uitbraak van bof op school moesten alle kinderen worden gevaccineerd.
  • Het was echt een bof dat hij net dat nummer won in de loterij.
  • Toen de zoon van mijn buurman de bof kreeg, besloot iedereen extra voorzichtig te zijn.

Woordoorsprong

Het woord 'bof' heeft zijn oorsprong in het Middelnederlands, waar het verwees naar zwelling of gezwollenheid, wat goed aansluit bij de symptomen van de ziekte.

Veelgestelde vragen over bof

Wat is de betekenis van bof?

bof betekent: geluk, mazzel

Hoeveel betekenissen heeft bof?

bof heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft bof?

bof is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je bof in een zin?

Voorbeeld: “"Wat een bof jou hier nog te treffen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kinderziekte’ voor het eerst aangetroffen in 1327

Vertalingen

Engelsluck, mumps
Fransveine, oreillons
DuitsGlück, Mumps
Spaansdicha, felicidad, paperas
Italiaansparotite epidemica, orecchioni
Portugeescaxumba
Russischзаушница, свинка
Japans流行性耳下腺炎
Zweedsparotit, påssjuka