bof
mannelijk (de)/bɔf/
Wat is de betekenis van bof?
bof betekent: geluk, mazzel
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geluk, mazzel
- (medisch) infectieziekte waarbij men een dik hoofd krijgt
Voorbeelden van "bof" in een zin
- "Wat een bof jou hier nog te treffen.
- Zij hebben allebei de bof gehad.
Etymologie
* In de betekenis van ‘kinderziekte’ voor het eerst aangetroffen in 1327
Vertalingen
Engelsluck, mumps
Fransveine, oreillons
DuitsGlück, Mumps
Spaansdicha, felicidad, paperas
Italiaansparotite epidemica, orecchioni
Portugeescaxumba
Russischзаушница, свинка
Japans流行性耳下腺炎
Zweedsparotit, påssjuka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek