bof

mannelijk (de)/bɔf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geluk, mazzel
    "Wat een bof jou hier nog te treffen.
  2. medisch (medisch) infectieziekte waarbij men een dik hoofd krijgt
    Zij hebben allebei de bof gehad.

Etymologie

* In de betekenis van ‘kinderziekte’ voor het eerst aangetroffen in 1327

Vertalingen

Engelsluck, mumps
Fransveine, oreillons
DuitsGlück, Mumps
Spaansdicha, felicidad, paperas
Italiaansparotite epidemica, orecchioni
Portugeescaxumba
Russischзаушница, свинка
Japans流行性耳下腺炎
Zweedsparotit, påssjuka